Prinsjesdag 2019: overige fiscale maatregelen

De maatregelen die op Prinsjesdag 2019 zijn bekendgemaakt met betrekking tot btw, erf- en schenkbelasting, inkomstenbelasting, loonbelasting en vennootschapsbelasting, hebben we apart voor u uitgelicht. Welke overige fiscale maatregelen kunt u verwachten? Dat leest u op deze pagina. Let wel: alle genoemde maatregelen en wijzigingen betreffen slechts wetsvoorstellen. De voorstellen zijn pas van toepassing als ze zijn goedgekeurd door de Eerste en Tweede Kamer.

Voor een overzicht van alle maatregelen kunt u hier kijken. In het onderdeel overige fiscale maatregelen komen de volgende onderwerpen aan de orde:

Verlaging verhuurderheffing om bouw (tijdelijke) woningen te stimuleren

Binnen de verhuurderheffing worden de volgende twee maatregelen voorgesteld om de bouw van (tijdelijke) woningen te stimuleren:

  • Een heffingsvermindering voor nieuwbouw van woningen met een huur onder de laagste aftoppingsgrens van de huurtoeslag in schaarstegebieden (regio's waar de druk op de woningmarkt het grootst is).
  • Een tijdelijke vrijstelling voor tijdelijke woningen (maximaal 15 jaar) die worden gerealiseerd in de periode 2020-2024. 

Twee nieuwe vrijstellingen in de assurantiebelasting

Er komen twee vrijstellingen voor de assurantiebelasting, namelijk voor:

  • Verzekeringen die geheel of gedeeltelijk mogelijke financiële verplichtingen afdekken die een werkgever heeft bij de verplichting om het loon van een werknemer door te betalen in geval van ziekte of doordat hij (als eigenrisicodrager) zelf het risico draagt van de betaling van ziekengeld, WGA- en overlijdensuitkeringen.
  • De brede weersverzekering voor actieve landbouwers om voorheen onverzekerbare weerrisico's af te dekken. 

Rentevergoeding bij te late terugbetaling Belastingwet BES

Op grond van de Belastingwet BES moet invorderingsrente worden betaald bij te late betaling door de belastingschuldige, maar vindt er geen rentevergoeding plaats bij te late betaling door de Belastingdienst Caribisch Nederland (BCN). Voorgesteld wordt om voortaan een rentevergoeding te geven indien BCN te laat betaalt.

S&O-afdrachtvermindering

  • Het aantal momenten per jaar waarop een S&O-verklaring kan worden aangevraagd, wordt uitgebreid van drie naar vier. RVO.nl zal monitoren in hoeverre gebruik wordt gemaakt van deze mogelijkheid. Na drie jaar zal deze verruiming worden geëvalueerd.
  • Het uiterste moment van het indienen van een aanvraag wordt gesteld op de dag voorafgaand aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, in plaats van ten minste een maand voorafgaand aan die periode. Voor aanvragen die betrekking hebben op de periode die ingaat op 1 januari van een kalenderjaar, wordt de uiterste indieningsdatum gesteld op 20 december van het daaraan voorafgaande kalenderjaar.
  • Aan de WVA wordt een delegatiebepaling toegevoegd om bij ministeriële regeling
    regels te kunnen stellen over de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding in geval van een verstoring van het digitale loket. Het moet daarbij gaan om een termijnoverschrijding voor de S&O-aanvraag, de opgave van de burgerservicenummers van de werknemers die S&O hebben verricht en de mededeling van de aan S&O bestede uren en van de eventuele gerealiseerde kosten en uitgaven. De door RVO.nl reeds toegepaste praktijk bij dergelijke verstoringen wordt hiermee gecodificeerd.

Aanpassing inkeerregeling

  • Boetevrije inkeer wordt uitgesloten voor inkomen uit aanmerkelijk belang.
  • Het onderscheid in de inkeerregeling tussen inkomen dat in het buitenland is opgekomen en inkomen dat in het binnenland is opgekomen, vervalt.

Aanpassing tonnageregeling

Er worden wijzigingen in de tonnageregeling aangebracht om de regeling als verenigbare staatssteun aan te merken. Het betreft (1) aanvullende voorwaarden bij de tijd- of reischarter, (2) aanpassingen in het vlagvereiste en (3) een wijziging met betrekking tot het winstplafond voor niet-vervoerswerkzaamheden.

  • De tonnageregeling wordt aangescherpt met betrekking tot in tijd- of reischarter
    gehouden schepen. Bij de berekening van het 75%-plafond wordt de tonnage van een schip waarvan een belastingplichtige mede-eigenaar is, slechts naar rato van de mate van zijn mede-eigendom in aanmerking genomen. Dit is alleen anders als de belastingplichtige mede-eigenaar is van een schip en hij daarnaast zowel het volledige bemannings- en technische beheer als commerciële beheer van dat schip verricht. Bij de berekening van het 75%-plafond wordt dan de volledige tonnage van dat schip in aanmerking genomen. Als in een jaar niet wordt voldaan aan deze voorwaarde, is met betrekking tot alle door een belastingplichtige in tijd- of reischarter gehouden schepen die niet de vlag voeren van een EU/EER-land de tonnageregeling in dat jaar niet van toepassing.
  • Bij iedere ingebruikname van een schip vanaf 1 januari 2020 bij een belastingplichtige die met betrekking tot dat schip aanspraak wil maken op een wettelijke uitzondering op het vlagvereiste, wordt getoetst of tot zijn voor de tonnageregeling kwalificerende schepen ten minste één schip behoort dat de vlag van een EU/EER-land voert. Alleen dan kan een belastingplichtige aanspraak maken op een van de wettelijke uitzonderingen op het vlagvereiste.
  • Het vlagvereiste dat nu al geldt voor reders die "eigen" schepen exploiteren in de zin van de tonnageregeling, gaat ook gelden voor scheepsmanagers. Scheepsmanagers die vanaf 1 januari 2020 het beheer van een schip voor een ander verrichten, moeten met betrekking tot dat schip voldoen aan het vlagvereiste.
  • Voor schepen waarvoor op 31 december 2019 al gebruik wordt gemaakt van de tonnageregeling gelden de aanpassingen van het vlagvereiste nog niet gedurende een periode die loopt tot en met het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2029.
  • De ruimte om winst die is toe te rekenen aan niet-vervoerswerkzaamheden onder het bereik van de tonnageregeling te brengen, wordt beperkt. Het deel van de winst dat afkomstig is uit niet-vervoerswerkzaamheden mag niet meer bedragen dan 50% van de totale jaarwinst die wordt behaald met de exploitatie van het voor het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee bestemde schip. Als in een bepaald jaar sprake is van een overschrijding van dit winstplafond, komt het deel van de winst dat moet worden toegerekend aan de niet-vervoerswerkzaamheden niet voor de tonnageregeling in aanmerking en wordt volgens de reguliere winstbepalingsregels in aanmerking genomen. De overige winst is behaald met het vervoer van zaken of personen in het internationale verkeer over zee en komt als zodanig wel in aanmerking voor de tonnageregeling. 

Aanpassen afvalstoffenbelasting

  • Het verwijderen (in de regel storten) van verbrandingsresten in de eigen inrichting valt buiten de afvalstoffenbelasting, voor zover die verbrandingsresten zijn ontstaan door het verbranden van aan die inrichting ter verwijdering afgegeven afvalstoffen waarover afvalstoffenbelasting is geheven. In alle andere situaties blijft de verwijdering van verbrandingsresten binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan een belastbaar feit.

Gebruik WOZ-waarden door bestuursorganen

  • Op grond van een delegatiebepaling in de Wet WOZ kunnen bestuursorganen worden aangewezen die voor een specifiek doel bevoegd zijn tot gebruik van het waardegegeven van een onroerende zaak. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om gebruik van de WOZ-waarde, het adres waarop de onroerende zaak is ingeschreven (meta-kenmerk) en de waardepeildatum van de WOZ-waarde (temporeel kenmerk). In sommige gevallen is het wenselijk dat een bestuursorgaan alleen de temporele en meta-kenmerken die bij een waardegegeven behoren kan gebruiken. Daarom wordt de delegatiebepaling uitgebreid met een dergelijke beperktere aanwijzingsmogelijkheid.

Gebruik WOZ-waarden door derden

  • Tot en met 30 september 2016 bevatte de Wet WOZ een bepaling met een delegatiegrondslag voor het aanwijzen van derden (niet-bestuursorganen) die het waardegegeven van een onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient, kunnen opvragen en die bevoegd zijn tot gebruik daarvan voor een specifiek omschreven doel. Deze bepaling wordt met terugwerkende kracht tot en met 1 oktober 2016 heringevoerd.

Keuzeregeling elektronisch berichtenverkeer

  • Er wordt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een keuzeregeling ingevoerd op grond waarvan de burger kan kiezen of hij berichten van de Belastingdienst elektronisch of per post toegezonden wil krijgen. Het betreft de uitgaande berichten, dus berichten die de Belastingdienst naar de burger verzendt.
  • Voor de keuzeregeling gaat het om berichten die rechtsgevolgen voor de burger in het leven roepen of een ander in de wet genoemd bericht, zoals een verzoek om een beschikking of een verzoek van de Belastingdienst om informatie te overleggen.
  • De gemaakte keuze geldt in beginsel voor alle uitgaande berichten van de Belastingdienst, dus voor de belastingheffing, de belastinginning en het toeslagendomein.
  • De werking van het besluit hangt af van de bekendmaking aan de persoon die het besluit aangaat. Een gemaakte keuze voor verzending heeft tot gevolg dat een besluit dat via een andere dan de gekozen weg is verzonden, niet op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt en daardoor de bezwaartermijn in beginsel niet aanvangt. Een besluit dat niet langs de gekozen weg is verzonden, mag voor de burger in elk geval geen nadelige gevolgen hebben.
  • Voor de berichten aan de Belastingdienst (de inkomende berichten) gaat de Belastingdienst op termijn zowel een digitale als een papieren weg openstellen waaruit de burger kan kiezen. Het blijft voor bepaalde inkomende berichten echter wel nodig dat deze uitsluitend langs digitale weg of uitsluitend langs papieren weg naar de Belastingdienst kunnen worden gestuurd. Voor welke berichten deze uitzondering moet worden gemaakt, zal in een ministeriële regeling worden opgenomen.
  • Er gelden drie uitzonderingsmogelijkheden omdat (1) op het moment van inwerkingtreding van de maatregel niet alle berichten van de Belastingdienst al digitaal beschikbaar zullen zijn, (2) niet alle groepen personen toegang kunnen krijgen tot de Berichtenbox van MijnOverheid en (3) er omstandigheden kunnen zijn waaronder het keuzerecht niet geldt. Voor ondernemers geldt dat zij met uitzondering van de berichtenstromen met betrekking tot de IB, BTW en LB een keuzerecht krijgen. Voor die belastingen doet de ondernemer ook al verplicht digitaal aangifte.
  • Op het moment dat de keuzeregeling in werking treedt, worden aan burgers die een Berichtenbox op MijnOverheid hebben geactiveerd, officiële berichten van de Belastingdienst zowel per post als digitaal verzonden, totdat zij hun keuze kenbaar hebben gemaakt of de redelijke termijn voor het kenbaar maken van een keuze is verstreken. Na afloop van die redelijke termijn zal de Belastingdienst een waarde "papier" of "digitaal" instellen. Burgers die geen actieve Berichtenbox hebben en burgers die zich hebben gemeld voor de maatwerklijst papieren post krijgen hun berichten uitsluitend op papier.

Implementatie WLTP-testmethode in de autogerelateerde belastingen

  • De heffingsgrondslag van de BPM wordt per 1 juli 2020 aangepast van "CO2-uitstoot gemeten conform de NEDC-testmethode" naar "CO2-uitstoot gemeten conform de WLTP-testmethode". De Worldwide harmonized Light vehicles Test Procedure (WLTP) is de door de EU ingevoerde, geharmoniseerde testmethode om de CO2-uitstoot van lichte voertuigen vast te stellen.
  • De BPM-tarieftabel wordt per 1 juli 2020 budgettair neutraal aangepast om verandering in de totale BPM-opbrengst als gevolg van de invoering van de WLTP-testmethode te voorkomen. De CO2-schijfgrenzen in de Wet BPM 1992 worden met 10% + 15 g/km verschoven, zodat personenauto's gemiddeld genomen in dezelfde tariefcategorie blijven. Ook de tarieven in de tabel worden aangepast.
  • De grens van 50 g/km als criterium voor het halftarief in de MRB wordt niet aangepast bij toepassing van de WLTP-testmethode.
  • Voor alle zeer zuinige personenauto's met een datum eerste toelating op de weg (DET) van vóór de oplevering van het nieuwe MRB-systeem (het streven is 1 januari 2021) waarvoor op grond van de CO2-uitstoot vastgesteld conform de NEDC-testmethode een halftarief in de MRB geldt, blijft het halftarief van toepassing tot 1 januari 2025. Nieuwe zeer zuinige personenauto's die daarna worden tenaamgesteld komen alleen in aanmerking voor een halftarief in de MRB wanneer de conform de WLTP‑testmethode vastgestelde CO2-uitstoot hoger is dan 0 g/m maar niet hoger is dan 50 g/km. Dit overgangsrecht zal in werking treden bij koninklijk besluit.
  • Voor de BPM-heffing gelden in beginsel voor alle nieuwe auto's die per 1 juli 2020 tenaamgesteld worden de nieuwe tarieven. Als dit tot een verhoging van de BPM leidt kan onder voorwaarden, tot 2 maanden na inwerkingtreding, aanspraak worden gemaakt op de Wet BPM zoals deze gold vóór de tariefsaanpassing. Voor auto's die op of na 1 juli 2020 voor het eerst in Nederland worden geregistreerd, waarvan de CO2‑‑uitstoot uitsluitend is vastgesteld conform de NEDC-testmethode, en voor de heffing van de BPM als nieuwe auto worden aangemerkt, geldt de Wet BPM zoals deze luidde op 30 juni 2020.
  • De toeslag voor personenauto's en bestelauto's die worden aangedreven door een
    motor met een compressieontsteking, de zogenoemde dieseltoeslag, geldt niet voor benzinemotoren met een compressieontsteking.
  • In de Wet uitwerking Autobrief II is een fijnstoftoeslag voor dieselpersonenauto's en dieselbestelauto's met een fijnstofuitstoot van meer dan 5 mg/km opgenomen. De inwerkingtreding van die wijziging geschiedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De fijnstofnorm wordt uitsluitend uitgedrukt in mg/km, terwijl voor bepaalde dieselauto's de fijnstofnorm wordt uitgedrukt in milligram per kilowattuur (mg/kWh). Voor deze groep wordt daarom een fijnstofnorm van 10 mg/kWh ingevoerd, zijnde de Euronorm VI-emissiegrenswaarde. Verder is het leeftijdscriterium van de fijnstoftoeslag bij dieselpersonenauto’s geschrapt. Dieselpersonenauto's die de fijnstofnorm overschrijden en zijn toegelaten na 1 september 2009 worden niet langer van de toeslag uitgesloten. Dieselpersonenauto's die zijn toegelaten na 1 september 2009 en waarvan geen fijnstofuitstoot is geregistreerd worden niet in de heffing betrokken. Als het af-fabriek roetfilter is verwijderd, wordt het betreffende voertuig geacht de fijnstofnorm te overschrijden. Tegenbewijs blijft hierbij mogelijk.

Verstrekken identificerende gegevens door financiële ondernemingen

  • In de Invorderingswet wordt expliciet vastgelegd welke identificerende gegevens van de houder van een bankrekening de Belastingdienst (via het zogenoemde verwijzingsportaal bankgegevens) kan opvragen bij financiële ondernemingen voor het afboeken van een door de Belastingdienst ontvangen betaling op een in te vorderen bedrag. De identificerende gegevens betreffen met betrekking tot een natuurlijk persoon: de naam, het adres (waaronder ook de woonplaats) en de geboortedatum. In andere gevallen (bijvoorbeeld bij rechtspersonen) betreffen de identificerende gegevens: de naam, het adres (waaronder ook de vestigingsplaats) en een uniek nummer als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 of hiermee vergelijkbaar identificatienummer.

Mocht u naar aanleiding van de maatregelen van Prinsjesdag 2019 vragen hebben, neem dan contact op met uw adviseur bij Baker Tilly.