HvJ Berlin Chemie: dochteronderneming is géén vaste inrichting voor de btw

Op 7 april heeft het Hof van Justitie EU uitspraak gedaan in Berlin Chemie (nr. C-333/20), een zaak die gaat over het begrip ‘vaste inrichting’ in de btw. Kort gezegd oordeelt het Hof van Justitie EU dat een moedermaatschappij geen vaste inrichting in een andere lidstaat heeft wanneer zij daar een dochteronderneming heeft die verkoopondersteunende diensten verricht. In dit nieuwsbericht gaan wij in op het arrest van de Europese rechter en bespreken wij de mogelijke gevolgen voor uw onderneming.

Achtergrond

De vaste inrichting fungeert als aanknopingspunt voor de heffing van btw. Het bestaan ervan is onder meer bepalend voor de verschuldigdheid van btw en voor de plaats waar prestaties aan btw-heffing worden onderworpen. Sinds 2011 is het begrip vaste inrichting gedefinieerd in de Btw-verordening (nr. 282/2011). Het moet gaan om een inrichting die gekenmerkt wordt door een voldoende mate van duurzaamheid en een – wat personeel en technische middelen betreft – geschikte structuur om prestaties te verrichten of af te nemen. In de praktijk leidt de interpretatie van het begrip regelmatig tot geschillen met (buitenlandse) belastingautoriteiten.

Dong Yang: dochteronderneming als vaste inrichting?

Enige tijd geleden verscheen een opmerkelijk arrest over de vaste inrichting in de btw (Dong Yang, nr. C-547/18). In deze zaak oordeelde het Hof van Justitie EU dat een dochteronderneming een vaste inrichting kan vormen van haar moedermaatschappij. Of dit zo is, hangt wel af van de vraag of is voldaan aan de materiële voorwaarden. Het bestaan van een vaste inrichting in een andere lidstaat kan dus niet worden afgeleid uit het enkele feit dat een moedermaatschappij daar een dochteronderneming heeft.

In de praktijk leidde het arrest Dong Yang tot enige opschudding. In tegenstelling tot wat eerder werd aangenomen, leek het Hof van oordeel te zijn dat het begrip vaste inrichting niet noodzakelijk begrensd wordt door de juridische zelfstandigheid van de betrokken rechtspersonen. Ook de zaak Berlin Chemie, waarin op 7 april uitspraak is gedaan, houdt verband met deze thematiek.

Berlin Chemie: de feiten

Berlin Chemie AG (hierna: BC AG) is een vennootschap gevestigd in Duitsland. Als onderdeel van haar activiteiten verkoopt BC AG farmaceutische producten in Roemenië. De (klein)dochter van BC AG, BC SRL, is gevestigd in Roemenië en verricht marketing- en ondersteuningsdiensten ter bevordering van de verkoop van deze farmaceutische producten. BC SRL heeft facturen zonder btw uitgereikt aan BC AG, die overigens haar enige afnemer is. Zij stelt zich op het standpunt dat de diensten in Duitsland belastbaar zijn onder de verleggingsregeling. De Roemeense inspecteur heft btw na. Volgens hem beschikt BC AG over voldoende personeel en technische middelen om in Roemenië een vaste inrichting te hebben. Omdat de vaste inrichting de diensten afneemt, is Roemeense btw verschuldigd.

Arrest Hof van Justitie EU

In zijn arrest geeft de Europese rechter aan dat het bestaan van een vaste inrichting voor de btw moet worden beoordeeld in het licht van de economische en commerciële realiteit. Het is niet vereist dat de ondernemer zelf in bezit is van de technische middelen, of dat het personeel aan hem gebonden is door middel van arbeidsovereenkomsten. Dit zou een te beperkte uitleg zijn van het begrip vaste inrichting. Indien een ondernemer niet zelf personele en technische middelen in een andere lidstaat heeft, dan dient hij voor het bestaan van een vaste inrichting te beschikken over andermans middelen als ware die zijn eigen middelen.

Volgens de Roemeense inspecteur vormen de middelen van BC SRL niet alleen een vaste inrichting van BC AG, maar worden ze eveneens door BC SRL gebruikt om de verkoopondersteunende diensten jegens BC AG te verrichten. Deze visie wijst het Hof van Justitie EU van de hand. Dezelfde middelen kunnen namelijk niet worden gebruikt om dezelfde diensten te verlenen én af te nemen. Uit het Europese btw-recht volgt dan ook dat een moedermaatschappij geen vaste inrichting heeft in het geval dat zij een dochteronderneming in een andere lidstaat heeft die haar middelen op exclusieve basis aanwendt voor de verrichting van verkoopondersteunende diensten ten behoeve van de moedermaatschappij.

Belang voor de praktijk

Uit het arrest Berlin Chemie volgt dat het Hof van Justitie EU een dochteronderneming niet zomaar aanmerkt als een vaste inrichting van de moedermaatschappij – zelfs niet wanneer die dochteronderneming onder haar gezag staat. De middelen van een dochteronderneming kunnen niet een vaste inrichting zijn én tegelijkertijd ingezet worden voor dienstverlening ten aanzien van die vaste inrichting.

Toch komt het Hof van Justitie EU in Berlin Chemie niet expliciet terug op zijn eerdere overweging dat een dochteronderneming een vaste inrichting kan vormen van haar moedermaatschappij. Dit lijkt ons in voorkomende gevallen dus nog altijd mogelijk. In de praktijk zien we dat (buitenlandse) belastingautoriteiten het begrip vaste inrichting in de btw laagdrempelig uitleggen. Zo komt het voor dat een buitenlandse voorraadlocatie wordt aangemerkt als een vaste inrichting, zelfs wanneer deze wordt beheerd door een juridisch zelfstandige warehouse operator. Dergelijke interpretaties van het begrip leiden regelmatig tot geschillen met (buitenlandse) belastingautoriteiten.

Ook voor uw onderneming is het van belang om na te gaan of de inzet van menselijke en technische middelen in andere landen leidt tot een buitenlandse vaste inrichting voor de btw. We merken op dat het bestaan van een (buitenlandse) vaste inrichting van grote invloed kan zijn op, onder andere, de verschuldigdheid van btw, administratieve verplichtingen en btw-registraties.

Heeft u vragen, of wilt u advies over uw buitenlandse activiteiten? Neem dan vrijblijvend contact op met Marisa Hut (06 52 75 98 75) of Barthold Bergman (06 15 48 68 85) van ons VAT & Customs Advisory team.