Duitse bronbelasting op uitgaande dividenden in strijd met EU-recht

Op grond van Duitse antimisbruikwetgeving werd in beginsel bronbelasting ingehouden op een dividenduitkering van een Duitse werkmaatschappij aan bijvoorbeeld een Nederlandse holding. Het Hof van Justitie heeft op 20 december 2017 beslist dat deze inhouding in strijd is met EU-recht.

De Duitse wetgever veronderstelt misbruik ingeval van tussenplaatsing van een holdingvennootschap tussen de Duitse werkmaatschappij en de aandeelhouder/natuurlijke persoon, omdat de natuurlijke persoon zonder deze tussenplaatsing geen recht op vrijstelling of teruggaaf van bronbelasting zou hebben gehad.

Op grond van Duitse wetgeving werd in beginsel bronbelasting ingehouden op dividenduitkeringen van een Duitse werkmaatschappij aan (bijvoorbeeld) een Nederlandse holdingvennootschap. Deze ingehouden bronbelasting was in Nederland niet verrekenbaar, zodat de bronheffing een extra belastinglast vormde voor de Nederlandse holding.

Het Hof van Justitie heeft nu beslist dat de Duitse regeling in strijd is met de moeder-dochter richtlijn en dat tevens inbreuk wordt gemaakt op de vrijheid van vestiging.

Met deze uitspraak wordt door het Hof van Justitie na jaren een streep gehaald door de bronbelasting op basis van Duitse wetgeving. Nederlandse holdingvennootschappen kunnen hiervan profiteren. Tevens is het opzetten van een (fiscaal) optimale organisatiestructuur hierdoor vereenvoudigd en de stap voor ondernemen in Duitsland aantrekkelijker geworden.