Skip to content
foto van man met koffie en laptop

De vaste inrichting in de btw: Blijf op de hoogte en voorkom verrassingen

Gepubliceerd op: 21 juni 2023
Type publicatie Kennisartikel

De vaste inrichting in de btw blijft in ontwikkeling. De afgelopen jaren zijn er belangwekkende arresten over dit thema gewezen door het Hof van Justitie van de EU. Deze ontwikkelingen zetten zich voort. Binnenkort verwachten wij weer nieuwe arresten over deze problematiek. Daarnaast heeft de Staatssecretaris van Financiën een relevant beleidsbesluit over de vaste inrichting in de btw vorig jaar geactualiseerd.

De btw-kwalificatie en de vraag of er sprake is van een vaste inrichting in de btw, heeft gevolgen voor onder andere uw facturatie en uw aangifteplicht. Als u er ten onrechte van uit gaat dat er geen (of juist wel) sprake is van een vaste inrichting in de btw, dan kan deze onjuiste btw-kwalificatie leiden tot naheffingsaanslagen en boetes. In dit bericht gaan wij in op deze ontwikkelingen, en de gevolgen voor de praktijk.

Begrip vaste inrichting in de Europese jurisprudentie

De vaste inrichting in de btw (kortheidshalve ook wel ‘VI’ genoemd) is een inrichting, anders dan het hoofdhuis van de onderneming, die wordt gekenmerkt door een voldoende mate van duurzaamheid en een - wat personeel en technische middelen betreft - geschikte structuur om diensten af te nemen of prestaties te verrichten. De VI in de btw is een wezenlijk ander begrip dan de VI voor de inkomsten- of vennootschapsbelasting, met andere criteria en andere gevolgen. De VI vormt een aanknopingspunt voor de heffing van omzetbelasting.

De interpretatie van het VI-begrip leidt geregeld tot discussies met de Belastingdienst, in zowel binnen- als buitenland. Een aantal noemenswaardige Europese arresten over dit begrip zijn bijvoorbeeld:

De zaak Titanium: VI en verhuurd vastgoed

In de zaak Titanium stond de vraag centraal of een verhuurde onroerende zaak zonder inzet van personeel is aan te merken als een VI. Het Hof van Justitie van de EU oordeelde, kort samengevat, dat dat niet het geval is als de verhuurder niet over eigen personeel beschikt, maar slechts bepaalde taken en bevoegdheden heeft uitbesteed. In dit geval aan een (niet vanuit het verhuurde actieve) vastgoedbeheerder, terwijl de verhuurder zelf de bevoegdheid behield fundamentele beslissingen te nemen.

De zaak Berlin Chemie: Eigen aanwezigheid en dochteronderneming

Daarnaast werd in de zaak Berlin Chemie onder andere aan de Europese rechter gevraagd of een VI een eigen aanwezigheid vereist. Of dat het ook voldoende is wanneer een ondernemer de directe beschikking heeft over het personeel en de technische middelen van een gelieerde meerderheidsdeelneming. Kort gezegd oordeelde het Hof van Justitie van de EU dat een moedermaatschappij geen VI in een andere lidstaat heeft wanneer zij daar een dochteronderneming heeft die verkoopondersteunende diensten verricht.

De zaak Danske Bank: diensten hoofdkantoor

Verder werd in de zaak Danske Bank, in aansluiting op het eerdere Skandia-arrest, geoordeeld dat de diensten die een hoofdkantoor verricht voor een VI in een andere EU-lidstaat btw-belastbaar zijn als het hoofdkantoor onderdeel uitmaakt van een fiscale eenheid btw.

Lopende zaak Cabot Plastics Belgium SA: Toll manufacturers

Tot slot heeft het Hof van Justitie van de EU op dit moment de zaak Cabot Plastics Belgium SA op de rol staan. Hierin staat de vraag centraal of een zogenoemde toll manufacturer een VI kan vormen van zijn (gelieerde) opdrachtgever indien de toll manufacturer exclusief voor de opdrachtgever werkt. Het arrest in deze zaak wordt op 29 juni 2023 verwacht.

Het uiteindelijke arrest in de Cabot Plastics Belgium SA zaak kan van grote invloed zijn op de wijze waarop het begrip VI moet worden uitgelegd. Als het Hof van Justitie van de EU concludeert dat dergelijke toll manufacturing situaties tot onderkenning van een VI van de opdrachtgever leiden, heeft dit mogelijk grote gevolgen. Mogelijk zullen dan ook in andere situaties veel sneller VI’s moeten worden onderkend met alle gevolgen van dien.

UPDATE 29 juni 2023: het Hof heeft inmiddels uitspraak gedaan. In de Cabot Plastics Belgium zaak was géén sprake van een vaste inrichting in de btw. Lees hier meer over deze uitspraak.

Actualisering besluit vaste inrichting in de btw

In het beleidsbesluit over de vaste inrichting in de btw beschrijft de Staatssecretaris van Financiën hoe de Belastingdienst met bepaalde aspecten van de VI omgaat. Het besluit wordt met enige regelmaat, meest recent in 2022, aangepast of geactualiseerd. Hieronder bespreken we een aantal in het oog springende onderwerpen en aanpassingen.

Besluit: Inkoop-VI kan leiden tot btw-registratie

Een belangwekkend onderdeel van het VI-besluit betreft het begrip ‘inkoop-VI’. Volgens de Staatssecretaris is de in Nederland gelegen inkoop-VI voor de btw relevant wanneer zij B2B-diensten inkoopt voor haar eigen behoeften en eigen gebruik. De inkoop-VI verricht uitsluitend prestaties ten behoeve van het hoofdhuis en dus niet aan derden. Deze prestaties zijn niet onderworpen aan omzetbelasting, waardoor de inkoop-VI voor haar eigen activiteiten in principe niet verplicht is om zich in Nederland te registeren voor omzetbelastingdoeleinden.

Voor buitenlandse ondernemers die diensten verrichten aan een Nederlandse inkoop-VI kan het ontbreken van een btw-registratie van laatstgenoemde tot complicaties leiden. De diensten zijn namelijk veelal in Nederland belastbaar, waarbij de inkoop-VI op grond van de verleggingsregeling zélf de btw is verschuldigd. Om onduidelijkheid weg te nemen, geeft de Staatssecretaris aan dat de inkoop-VI zich in dergelijke gevallen in Nederland moet registreren voor de btw.

Besluit: Andere belangrijke onderwerpen

Het besluit gaat ook in op een aantal andere aspecten met betrekking tot de VI. Zonder een uitputtend overzicht te geven, noemen wij de een aantal belangrijke zaken:

Het VI-begrip

Een inrichting die geen prestaties verricht aan derden en alleen ondersteunende activiteiten uitvoert voor het hoofdhuis is bijvoorbeeld geen VI. Ook noemt het besluit dat een juridisch zelfstandige dochtermaatschappij in de regel niet is aan te merken als een VI van de moedermaatschappij.

Fiscale eenheid btw

Momenteel worden in Nederland prestaties tussen een hoofdhuis en een VI in beginsel niet als btw-relevante leveringen of diensten beschouwd. Dit verandert per 1 januari 2024. Vanaf dan is bij een prestatie tussen het hoofdhuis en een VI (of vaste vertegenwoordiger) voor de btw sprake van een relevante levering of dienst als het hoofdhuis en/of de VI in hun respectievelijke EU-land(en) van vestiging deel uitmaken van een fiscale eenheid btw.

Aftrek van btw

Het besluit gaat ook in op de wijze waarop de aftrek van btw dient plaats te vinden wanneer een Nederlandse VI kosten maakt die deels of uitsluitend toe te rekenen zijn aan de handelingen van het buitenlandse hoofdhuis. Zie voor deze casuïstiek bijvoorbeeld ook de uitspraak in de zaak Morgan Stanley. In dergelijke gevallen gelden bijzondere pro rata’s voor de aftrek van btw. Daarnaast dient de ondernemer aftrekgerechtigdheid na te gaan, zowel in Nederland als in de lidstaat waarin het hoofdhuis is gevestigd. Dit geldt alleen als zowel het hoofdhuis als de VI in hun respectievelijke EU-land(en) van vestiging geen deel uitmaken van een fiscale eenheid btw.

Betrokkenheidscriterium

De Staatssecretaris geeft aan wanneer er in zijn ogen sprake is van ‘betrokkenheid’ van de VI bij prestaties die door (het hoofdhuis van) een buitenlandse ondernemer in Nederland worden verricht. Indien er sprake is van betrokkenheid, dan is de VI in Nederland btw verschuldigd ter zake van de prestaties.

Afnemerschap

De Staatssecretaris geeft aanwijzingen over de manier waarop moet worden vastgesteld welke inrichting de diensten afneemt.

Voorkom een onjuiste btw-kwalificatie

Het begrip VI blijft in beweging. Het is van belang om te bepalen of de fiscale positie van elk van uw vestigingen correct en in overeenstemming is met de regels. Daarbij kan een regelmatige herbeoordeling noodzakelijk zijn. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn door veranderende omstandigheden, nieuwe besluiten en regelgeving, of inzichten uit de (Europese) jurisprudentie. Een onjuiste btw-kwalificatie kan leiden tot naheffingsaanslagen en aanzienlijke boetes. Dit geldt zowel voor uw (vaste) inrichtingen in Nederland als die in het buitenland.

Heeft u vragen over de VI in de btw? Of wilt u laten (her)beoordelen of u aan alle relevante regelgeving en verplichtingen voldoet? Onze VAT & Customs Advisory specialisten staan u graag bij in het inzichtelijk krijgen van de btw-positie van uw onderneming.

Wet- en regelgeving op dit gebied kan onderhevig zijn aan verandering. Wij raden u aan om met uw Baker Tilly adviseur te overleggen over de impact hiervan.

De laatste wetgeving en tips voor uw industrie

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief