Fiscale eenheid btw: economische verwevenheid aan versoepeling onderhevig

Op vrijdag 5 juli 2019 heeft de Hoge Raad twee arresten gewezen waarin dezelfde vraag centraal stond; kan een onderwijsstichting en een door haar opgerichte bv die tegen vergoeding diensten verricht aan de onderwijsstichting samen in een fiscale eenheid btw gevoegd worden?

Om een fiscale eenheid in de btw te vormen, moet er sprake zijn van een bepaalde mate van verwevenheid tussen in Nederland gevestigde btw-ondernemers. Deze verwevenheid wordt onderverdeeld in organisatorische-, financiële- en economische verwevenheid. In beide arresten was het criterium van de economische verwevenheid een punt van discussie. Er is sprake van economische verwevenheid indien de activiteiten van de betrokken ondernemers in hoofdzaak strekken tot verwezenlijking van eenzelfde economisch doel of indien de activiteiten van de ene ondernemer in hoofdzaak ten behoeve van de andere ondernemer worden uitgeoefend.

De arresten

In de eerste zaak (ECLI:NL:HR:2019:1112) gaat het om een bv die tegen vergoeding schoonmaakwerkzaamheden verricht aan een onderwijsstichting (hierna: de stichting). De stichting is de enige klant van de bv. De stichting verzorgt het onderwijs op verschillende aangesloten scholen. Naast het verzorgen van onderwijs aan leerlingen van de aangesloten scholen verricht de stichting tegen vergoeding ook andere activiteiten, zoals de exploitatie van de kantines van de scholen. De stichting is enig aandeelhouder en enig bestuurder van de bv. De stichting en de bv waren door de inspecteur aangemerkt als fiscale eenheid btw, maar de inspecteur heeft deze fiscale eenheid btw per 1 januari 2013 beëindigd. De inspecteur is van mening dat geen sprake is van een economische verwevenheid tussen de stichting die vrijwel uitsluitend niet-economische handelingen verricht (het verzorgen van onderwijs waar geen vergoeding tegenover staat) en de bv die nagenoeg uitsluitend presteert ten behoeve van (de niet-economische activiteiten van) de stichting. De Hoge Raad oordeelt dat de mate van verwevenheid tussen de stichting en de bv bepaalt of sprake is van een fiscale eenheid btw. Bij het bepalen van de mate van economische verwevenheid tellen alle prestaties mee dus ook de schoonmaakprestaties die de bv jegens de stichting verricht en die dienstbaar zijn aan de niet-economische activiteiten van de stichting. In casu was dus terecht sprake van een fiscale eenheid btw tussen de stichting en de bv.

In de tweede zaak (ECLI:NL:HR:2019:1118) gaat het om een stichting (ondernemer voor de btw) die basisschoolonderwijs verzorgt en daarnaast andere activiteiten verricht, zoals de verhuur van ruimten en detachering van onderwijzend personeel. De stichting heeft een bv opgericht en is voor 70% aandeelhouder. De bv stelt onderwijzend en onderwijsondersteunend personeel ter beschikking aan de stichting en andere scholen. De omzet van de bv bestaat voor 27,2% uit het ter beschikking stellen van personeel aan de stichting. De inspecteur heeft het verzoek van de stichting en de bv om samen als fiscale eenheid btw te worden aangemerkt afgewezen, omdat geen sprake is van economische verwevenheid. De omzet die de bv behaalt vanwege haar dienstverlening jegens de stichting is niet voldoende om aan te nemen dat de activiteiten van de bv in hoofdzaak ten behoeve van de stichting worden uitgeoefend, aldus de inspecteur. De Hoge Raad heeft evenwel geoordeeld dat, in het geval de financiële en organisatorische verwevenheid vaststaat, economische verwevenheid kan worden aangenomen als sprake is van niet-verwaarloosbare economische betrekkingen. De Hoge Raad is van mening dat in deze situatie sprake is van niet-verwaarloosbare economische betrekkingen, aangezien de bv 27,2% van de omzet behaalt met prestaties richting de stichting. 

Gevolgen voor de praktijk

Met bovenstaande uitspraken concluderen we dat eerder dan voorheen voldaan wordt aan de economische verwevenheid voor het vormen van een fiscale eenheid btw. Voor het bepalen van de economische verwevenheid dienen alle activiteiten te worden meegenomen, dus ook de activiteiten die dienstbaar zijn aan de niet-economische activiteiten van de stichting. Daarnaast mag een economische verwevenheid aangenomen worden indien tussen deze partijen een niet-verwaarloosbare economische betrekking bestaat, in het geval partijen aan de financiële en organisatorische verwevenheid voldoen.

Voor de praktijk kunnen deze uitspraken gunstig uitpakken. Ondernemers die de btw op kosten niet volledig in aftrek kunnen brengen, kunnen vanwege deze uitspraken overwegen om diverse kostprijsverhogende diensten onder te brengen in een nieuw op te richten bv en vervolgens een fiscale eenheid btw te vormen met deze bv. Indien u inzicht wilt krijgen of en zo ja op welke wijze de gevolgen van deze arresten uw btw-positie kunnen verbeteren, aarzelt u dan niet om contact op te nemen met Rakesh Ghirah of Casper Carlier.