HvJ EU: Importeur mag btw-invoervrijstelling toepassen hoewel niet voldaan is aan alle voorwaarden

Het Europese Hof van Justitie (HvJ EU) heeft recent uitspraak gedaan in de zaak Božicevic Ježovnik (nr. C‑528/17) waarin een importeur volgens de Sloveense Belastingdienst onterecht aanspraak maakte op een btw-vrijstelling bij invoer. In dit nieuwsbericht gaan wij in op de uitspraak, en het belang voor de praktijk.

De feiten

In de jaren 2009 tot en met 2011 heeft een fruithandelaar bananen uit derde landen ingevoerd in Slovenië. Daarbij heeft de handelaar gebruik gemaakt van de btw-vrijstelling bij de invoer van goederen die vervolgens naar een andere Lidstaat geleverd worden (vgl. artikel 143(1)(d) van de Btw-richtlijn). De bananen werden afgenomen door Roemeense afnemers. Achteraf bleek dat de afnemers waarschijnlijk btw-fraude hadden gepleegd met de goederen. Hoewel de fruithandelaar bewijzen had overhandigd voor de toepassing van de btw-invoervrijstelling, stelden de Sloveense douaneautoriteiten zich op het standpunt dat de vrijstelling onterecht was toegepast. De fruithandelaar werd verplicht om de btw na te betalen.

Uitspraak Hof van Justitie EU

In zijn uitspraak stelt het Hof van Justitie EU voorop dat de btw-invoervrijstelling alleen van toepassing is indien de importeur na de invoer een vrijgestelde intracommunautaire levering verricht. Met andere woorden: de goederen moeten volgend op de invoer naar een andere Lidstaat geleverd worden. Indien achteraf blijkt dat niet aan deze voorwaarde is voldaan, mogen de douaneautoriteiten de btw echter niet bij de importeur naheffen wanneer zijzelf de btw-invoervrijstelling hebben verleend op grond van een voorafgaande controle van de aangeleverde bewijzen. Dit is alleen anders wanneer de importeur wist of had moeten weten dat de kopers btw-fraude met de goederen pleegden, en ook wanneer hij niet alle redelijke maatregelen heeft getroffen om die fraude te voorkomen.

Belang voor de praktijk

De uitspraak van het HvJ EU impliceert dat de btw-invoervrijstelling niet zomaar geweigerd kan worden als achteraf blijkt dat andere partijen in de transactieketen btw-fraude hebben gepleegd. Een interessant punt is dat de Europese rechter belang hecht aan de gedragingen van de douaneautoriteiten. In de onderhavige zaak hadden medewerkers van de douane immers de door de importeur aangeleverde bewijzen bekeken. De importeur mocht dus een zeker vertrouwen ontlenen aan het optreden van de douaneautoriteiten. Het feit dat de douaneautoriteiten na een controle vooraf van de douaneaangifte het nultarief hebben verleend, betekent echter niet dat zij dit niet meer achteraf kunnen herstellen indien de importeur niet te goeder trouw heeft gehandeld.

Btw-fraude door derden brengt aanzienlijke fiscale risico’s met zich mee voor importeurs, expediteurs en fiscaal vertegenwoordigers. Dit is met name het geval wanneer hen iets te verwijten valt, bijvoorbeeld bij nalatigheid of wanneer men had moeten weten dat er iets niet in de haak was. Tot slot merken we op dat de in dit artikel besproken invoervrijstelling in Nederland vanwege de uitvoerige vereisten vrijwel nooit wordt toegepast. Wel zijn er hier te lande andere regelingen die de heffing van btw bij invoer kunnen vergemakkelijken, zoals de artikel 23 vergunning.

Mocht u vragen hebben naar aanleiding van dit artikel, of wilt u weten hoe deze uitspraak uw onderneming raakt, dan kunt u contact opnemen met Frank Nellen of Roderick Knipsael.