HvJ EU: Verplichte herziening van btw bij liquidatie onderneming

Onlangs heeft het Hof van Justitie van de EU uitspraak gedaan in de zaak Vittamed (nr. C-293/21). Kort gezegd oordeelt de Europese rechter dat herziening van btw moet plaatsvinden wanneer vervaardigde investeringsgoederen vanwege een bedrijfsliquidatie niet zijn en ook niet zullen worden gebruikt voor aftrekgerechtigde doeleinden. In deze bijdrage gaan wij in op deze belangrijke uitkomst en bespreken we de gevolgen voor de praktijk.

Achtergrond: de herzieningsregels

In de btw is het uitgangspunt dat opgedane omzetbelasting op kosten in aftrek kan worden gebracht wanneer de ondernemer de verworven goederen of diensten aanwendt voor aftrekgerechtigde doeleinden (zoals de eigen belaste verkopen). Bij de aanschaf of vervaardiging van investeringsgoederen is deze initiële aftrek echter niet altijd definitief. Op grond van de zogenoemde ‘herzieningsregels’ wordt de aftrek namelijk aangepast wanneer op enig moment blijkt dat het daadwerkelijk gebruik afwijkt van het voorgenomen (aftrekgerechtigde) gebruik. De periode waarin de aftrek van btw op investeringsgoederen wordt gevolgd – de zogenoemde ‘herzieningsperiode’ – betreft in Nederland vijf jaar voor roerende investeringsgoederen en tien jaar voor onroerende goederen.

Btw bij de Litouwse onderneming Vittamed

Vittamed was een Litouwse onderneming die in het verleden goederen en diensten heeft verworven ter vervaardiging van licenties en prototypes van apparaten voor medische diagnostiek. Het voornemen was om de vervaardigde investeringsgoederen te gebruiken voor belaste activiteiten. De aan haar in rekening gebrachte btw heeft Vittamed in aftrek gebracht. Na verschillende verliesgevende boekjaren is de vennootschap echter geliquideerd. De inspecteur vorderde de in aftrek gebrachte btw terug op basis van de herzieningsregels. De verwijzende Litouwse rechter heeft aan het Hof van Justitie van de EU gevraagd of de aftrek van voorbelasting in dit geval inderdaad moet worden herzien.

Oordeel Hof van Justitie EU

De Europese rechter stelt in deze zaak vast dat de herzieningsregels bedoeld zijn om een nauw en rechtstreeks verband te vestigen tussen het aftrekrecht en de aanwending van de betrokken goederen of diensten. Daarom is een ondernemer verplicht om de aftrek te aan te passen als de vervaardigde investeringsgoederen niet zijn gebruikt voor belaste activiteiten en daarvoor nooit zullen worden gebruikt omdat de enige aandeelhouder heeft besloten om hem in liquidatie te stellen. Herziening kan echter achterwege blijven wanneer nog steeds het voornemen bestaat om de goederen voor een belaste activiteit te gebruiken. Aan deze voorwaarde lijkt niet te zijn voldaan in een geval waarin de ondernemer is vereffend.

Analyse en belang voor de praktijk

Het oordeel van het Hof van Justitie EU is verassend. Op basis van eerdere rechtspraak (zie de zaak INZO, nr. C-110/94) ging de praktijk er namelijk vanuit dat initieel genoten btw-aftrek in stand blijft wanneer een activiteit tegen de verwachtingen in uiteindelijk niet tot belaste handelingen heeft geleid. Uit de voorliggende uitspraak volgt nu dat een ondernemer de aftrek zal moeten herzien wanneer de investeringsgoederen waarvoor hij aftrek heeft genoten niet gebruikt zullen worden voor de initieel beoogde (belaste) activiteiten en eveneens niet op grond van een objectief aantoonbaar voornemen bestemd kunnen worden voor andere (belaste) activiteiten. Dit kan vooral gevolgen hebben voor ondernemingen die veel investeren, zoals techbedrijven, startups en farmaceutische bedrijven. Mogelijk zullen zij geconfronteerd worden met de verplichting tot terugbetaling van btw in gevallen waarin investeringsprojecten uiteindelijk om wat voor reden dan ook geen doorgang vinden.

Hoewel het oordeel van het Hof van Justitie EU een aanscherping lijkt van de herzieningsverplichting, schuilt er eveneens een oplossing in. Naar onze mening is het namelijk mogelijk om aan herziening te ontkomen door niet-gebruikte investeringsgoederen eenvoudigweg btw-belast te verkopen. In dat geval worden ze alsnog voor aftrekgerechtigde doeleinden aangewend. Daarnaast kan een ondernemer zich voornemen om de investeringsgoederen in een later stadium te gaan gebruiken voor aftrekgerechtigde doeleinden. Ook dan kan herziening achterwege blijven – mits het voornemen reëel is en goed wordt gedocumenteerd. Hoe dan ook heeft de uitspraak van de Europese rechters veel vragen opgeworpen. De toekomst zal moeten uitwijzen in welke specifieke gevallen de herzieningsregels toepassing vinden.

Mocht u de mogelijke gevolgen van deze uitspraak voor uw organisatie willen bespreken, neem dan vrijblijvend contact op met Stevie Mols of Govinda Kandhai. Wij zijn u graag van dienst.