Wetsvoorstel Wet Bronbelasting 2020

Het wetsvoorstel Wet bronbelasting 2020 (Kamerstuk 35028) omvat de afschaffing van de dividendbelasting en de direct daarmee samenhangende invoering van een bronbelasting op dividenden naar laagbelastende jurisdicties en in misbruiksituaties. Voor de daarmee samenhangende conditionele bronbelastingen op interest en royalty’s zal in 2019 een wetsvoorstel worden ingediend met een inwerkingtredingsdatum van 2021. Daarnaast bevat het pakket een verlaging van het tarief in de Vpb naar uiteindelijk 22,25% - en een MKB tarief van 16% - in 2021 in combinatie met een aantal maatregelen die de Vpb-grondslag verbreden.

Het wetsvoorstel bevat de volgende maatregelen:

1. Afschaffing dividendbelasting per 1 januari 2020

De Wet dividendbelasting wordt per 1 januari 2020 ingetrokken.

2. Bronbelasting op dividenden naar laagbelastende jurisdicties en bij misbruik

Per 2020, gelijktijdig met de afschaffing van de dividendbelasting, wordt een conditionele bronbelasting op dividend ingevoerd van 23,9% per 1 januari 2020 en 22,25% per 2021. Voorgesteld wordt om de bronbelasting alleen van toepassing te laten zijn op rechtstreekse betalingen (dividenduitkeringen) aan gelieerde lichamen. Er is sprake van gelieerdheid als het dividendontvangende lichaam een kwalificerend belang heeft in het dividenduitkerende lichaam. Er is een kwalificerend belang als er direct of indirect een zodanige invloed op de besluitvorming kan plaatsvinden, dat daarmee de activiteiten van de gelieerde vennootschap kunnen worden bepaald. Daarvan is in ieder geval sprake als het belang meer dan 50% van de statutaire stemrechten vertegenwoordigt. Daarnaast is er ook sprake van gelieerdheid als een derde een kwalificerend belang heeft in zowel het dividendontvangende als het dividenduitkerende lichaam. Als het dividendontvangende lichaam behoort tot een samenwerkende groep en die groep gezamenlijk een kwalificerend belang heeft in het dividenduitkerende lichaam is er ook sprake van gelieerdheid. Voor de uitleg en de reikwijdte van het begrip samenwerkende groep wordt aangesloten bij het dienovereenkomstige begrip in de Vpb.

Onder laagbelastende jurisdictie wordt verstaan een staat die lichamen niet, of naar een tarief van minder dan 7% onderwerpt aan een belasting naar de winst of een staat die is opgenomen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Bij de tariefseis gaat het om het algemeen geldende statutaire tarief. Niet noodzakelijk is dat de winstbelasting op het hoogste niveau in een staat wordt geheven, een winstbelasting geheven door een lagere overheid kwalificeert ook. Jaarlijks zal een uitputtende lijst worden gepubliceerd met op grond van deze criteria aangewezen staten.

De bronbelasting is ook verschuldigd bij misbruiksituaties. Van misbruik is sprake bij een kunstmatige constructie of transactie (objectieve toets) en het belang van de inhoudingsplichtige wordt gehouden met als hoofddoel of een van de hoofddoelen om de heffing van belasting bij een ander te ontgaan (subjectieve toets). Beide toetsen worden in onderlinge samenhang toegepast en vinden steeds plaats op het moment van uitkering van het dividend (doorlopende toetsing).

3. Tariefsverlaging Vpb naar uiteindelijk 22,25% en MKB-tarief van 16% in 2021

In combinatie met een verbreding van de grondslag (zie 4 hieronder) wordt het Vpb tarief stapsgewijs verlaagd naar 16% in de eerste schijf (voor winsten tot en met € 200.000) en 22,5% in de tweede schijf (voor winsten vanaf € 200.000) in 2021. Dit gebeurt in drie jaarlijkse stappen: met ingang van 2019 worden de tarieven verlaagd naar respectievelijk 19% (eerste schijf) en 24,3% (tweede schijf), per 2020 worden de tarieven verder verlaagd naar respectievelijk 17,5% en 23,9% en in 2021 naar respectievelijk 16% en 22,25%.

4. Grondslagmaatregelen in de Vpb

  • De belangrijkste grondslagverbredende maatregel is de earningstrippingmaatregel uit het implementatiewetsvoorstel ATAD1. Die maatregel beperkt de aftrekbaarheid van het saldo aan rente tot 30% van de fiscale EBITDA (brutobedrijfsresultaat). Tegelijkertijd worden de aftrekbeperkingen voor bovenmatige deelnemingsrente, de aftrekbeperking voor bovenmatige overnamerente en de beperking van de verrekening van verliezen voor houdster- en financieringsmaatschappijen (houdsterverliezen) afgeschaft.
  • Het kabinet had op 29 juni 2018 aangekondigd om de aftrekbaarheid van de vergoeding over aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten te laten vervallen. Hierdoor zal de vergoeding over aanvullend tier 1-kapitaalinstrumenten niet meer aftrekbaar zijn bij de fiscale winstbepaling.
  • Met het afschaffen van de dividendbelasting vervalt in 2020 automatisch ook de afdrachtvermindering door fbi's in de dividendbelasting. Ook mogen in verband met de afschaffing van de dividendbelasting fbi's vanaf 2020 niet meer direct beleggen in Nederlands vastgoed.
  • De voorwaartse verrekening van verliezen in de Vpb wordt beperkt van negen naar zes jaar (voor het eerst voor verliezen geleden in 2019). Verliezen die zijn geleden in 2019 kunnen uiterlijk tot en met 2025 worden verrekend. Voor nog niet verrekende verliezen die vóór 2019 zijn geleden, geldt volgens de huidige regels van voorwaartse verliesverrekening een termijn van maximaal negen jaar. Een verlies uit 2018 kan worden verrekend met winsten tot en met uiterlijk 2027, een verlies uit 2017 mag uiterlijk in 2026 worden verrekend en een verlies uit 2016 uiterlijk in 2025, etc. Daarbij wordt uitgegaan van een boekjaar dat gelijk is aan een kalenderjaar. Is er sprake van gebroken boekjaren dan geldt dat voor de verliesverrekening de afzonderlijke jaren moeten worden bezien en dat de beperking van de verliesverrekeningstermijn geldt vanaf het boekjaar dat aanvangt in 2019. Er is begunstigend overgangsrecht opgenomen om tijdelijk negatieve effecten van de beperking van de verliesverrekeningstermijn in samenhang met de verplichte volgorde van verliesverrekening te voorkomen.
  • De afschrijving op gebouwen in eigen gebruik in de Vpb wordt beperkt. Vanaf 2019 is het voor belastingplichtigen in de Vpb alleen nog mogelijk om op een gebouw af te schrijven als de boekwaarde van het gebouw hoger is dan 100% van de WOZ-waarde van dat gebouw. Voor gebouwen in eigen gebruik gaat daarmee binnen de Vpb dezelfde regel gelden als voor gebouwen die worden verhuurd aan derden (gebouwen ter belegging).

5. Flankerende maatregelen Vpb-tariefsverlaging

  • Vanwege de tariefsaanpassing in de Vpb en in de IB worden de percentages in de regeling voor een geruisloze terugkeer uit een NV of een BV naar een IB-onderneming ook aangepast.
  • De Vpb-tariefsverlaging werkt door naar de regels voor het belasten van voordelen uit hoofde van een aanvankelijk voor de innovatiebox kwalificerend immaterieel activum dat achteraf gezien niet kwalificeert voor de innovatiebox. Om te zorgen dat op dat moment de juiste winst in de heffing wordt betrokken, worden de betreffende regels voor de innovatiebox aangepast.

6. Flankerende maatregelen ATAD1

  • Er komt een antimisbruikbepaling om handel tegen te gaan in lichamen met aanspraak op voortgewentelde rente uit voorgaande jaren op basis van de earningsstrippingmaatregel. Deze bepaling houdt in dat ingeval het belang in een belastingplichtige in belangrijke mate (dat wil zeggen voor meer dan 30%) is gewijzigd, de voortgewentelde rente die voorafgaande aan die belangenwijziging is ontstaan, in beginsel niet meer in aanmerking kan worden genomen. Er bestaan uitzonderingen om reële gevallen waarin geen oneigenlijk gebruik is beoogd te ontzien. De maatregel treedt in werking op 1 januari 2020, omdat deze niet eerder kan worden verwerkt in de systemen van de Belastingdienst.
  • De voortgewentelde rente van vóór het voegingstijdstip in een fiscale eenheid (f.e.) van een gevoegde maatschappij kan alleen in aftrek komen bij de f.e. als hiervoor bij de f.e. ruimte bestaat en als hiervoor bij deze gevoegde maatschappij ruimte zou bestaan, indien zij geen deel zou hebben uitgemaakt van de f.e. Voor ontvoeging geldt omgekeerd dat voortgewentelde rente van de f.e. door een ontvoegde dochtermaatschappij kan worden meegenomen, als aannemelijk wordt gemaakt dat de voortgewentelde rente van de f.e. bij deze ontvoegde dochtermaatschappij zou zijn ontstaan, indien zij geen deel zou hebben uitgemaakt van de f.e.
  • Splitsingen, fusies, bestuurlijke herindelingen of herschikkingen kunnen in beginsel plaatsvinden zonder dat de behaalde winst in aanmerking hoeft te worden genomen. Hierop gelden echter uitzonderingen als recht bestaat op één van de in de Wet Vpb opgesomde aanspraken. Aan deze opgesomde aanspraken wordt voortgewentelde rente op grond van de earningsstrippingmaatregel toegevoegd. Door deze toevoeging kunnen, ingeval van het bestaan van voortgewentelde rente, nadere voorwaarden worden gesteld om de winst behaald met, of bij de overdracht geheel of ten dele buiten aanmerking te laten. De beleidsbesluiten voor bedrijfsfusie, juridische splitsing en juridische fusie zullen hierop worden aangepast.
  • Voor het verlagen van het tarief van de verhuurderheffing wordt structureel € 100 mln uitgetrokken.

Mocht u naar aanleiding van de maatregelen van Prinsjesdag 2018 vragen hebben, neem dan contact op met uw adviseur bij Baker Tilly.