Reclameopbrengsten gemeenten volgens rechtbank belast met vennootschapsbelasting

In een uitspraak van 19 juli 2022 oordeelde Rechtbank Gelderland over de vennootschapsbelastingplicht van een gemeente. Een gemeente die tegen betaling gelegenheid geeft tot het doen van reclame-uitingen, drijft volgens de rechtbank een onderneming in de zin van de vennootschapsbelasting. De met deze activiteiten behaalde winsten zijn daarom bij de gemeente belast.

De gemeente in deze zaak had drie overeenkomsten met reclame-exploitanten gesloten. Op grond daarvan mochten zij reclameobjecten (abri’s, lichtbakken en A0-displays) plaatsen in de openbare ruimte. De reclameobjecten waren eigendom van de reclame-exploitanten en werden voor rekening en risico van de reclame-exploitanten geëxploiteerd. De gemeente ontving een vaste vergoeding voor het bieden van gelegenheid tot plaatsing van de reclameobjecten. Een van de centrale vragen was of (het saldo van) deze vergoeding aan vennootschapsbelasting (Vpb) was onderworpen.

Gemeenten zijn met ingang van 1 januari 2016 vennootschapsbelastingplichtig, indien en voor zover zij een onderneming drijven. Van het drijven van een onderneming is sprake, wanneer met een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het oogmerk winst te behalen. Van een winstoogmerk is sprake, wanneer de gemeente met de betreffende activiteit structureel overschotten behaalt. De ondernemingstoets dient per activiteit plaats te vinden, tenzij een activiteit onlosmakelijk is verbonden met een andere activiteit, waardoor deze activiteiten geclusterd dienen te worden.

Standpunt gemeente: geen vennootschapsbelasting verschuldigd

Het standpunt van de gemeente was dat de reclameactiviteiten onderdeel uitmaakten van de inrichting en het beheer van de openbare ruimte. Daarom moest de ondernemingstoets op het geheel worden toegepast. Omdat de gemeente met de inrichting en het beheer van de openbare ruimte geen overschotten realiseerde, zou geen sprake zijn van belastingplicht. De rechtbank verwierp deze stelling, omdat onder meer de aard van de activiteit ‘beheer en inrichting van de openbare ruimte’ wezenlijk verschilt van de activiteit ‘het gelegenheid geven tot het doen van reclame-uitingen’. Er was onvoldoende samenhang tussen de activiteiten om ze gezamenlijk te beoordelen. Volgens de rechtbank moest de reclameactiviteit daarom zelfstandig worden beoordeeld.

Subsidiair had de gemeente zich op het standpunt gesteld dat zelfstandige beoordeling van de reclameactiviteit ook niet tot belastingplicht leidt, omdat geen sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid. De rechtbank gaat ook hierin niet mee, en stelt dat de gemeente in het kader van de reclameactiviteit allerlei werkzaamheden uitvoert (zoals beleid formuleren, overleg voeren met contractpartijen, contractbeheer en toezicht op de reclamelocaties). De rechtbank concludeert dat wel degelijk sprake is van een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid.

Meer subsidiair beriep de gemeente zich op de wettelijke vrijstelling voor overheidstaken. Deze vrijstelling is volgens de rechtbank niet van toepassing. Gelegenheid bieden voor het doen van reclame-uitingen is geen activiteit die bij wet aan de gemeente is opgelegd in haar hoedanigheid van overheidslichaam.

Oordeel rechtbank & juridische vervolgstappen

Op basis van de bovengenoemde punten oordeelde de rechtbank dat de reclameopbrengsten bij de gemeente belast waren met vennootschapsbelasting.

Dit is de eerste gepubliceerde uitspraak waarin de fiscale behandeling van reclameopbrengsten bij gemeenten wordt behandeld. Naar onze mening is de motivering van de rechtbank op onderdelen aan de magere kant en is hier nog het nodige tegen in te brengen. We verwachten dat hoger beroep tegen deze uitspraak wordt aangetekend. Bovendien lopen er op dit moment nog andere procedures over dit onderwerp. Het laatste woord is hier dus nog niet over gezegd: er is pas volledige duidelijkheid als de Hoge Raad zich hierover heeft uitgesproken.

Wat betekent dit voor gemeenten met reclameopbrengsten?

Veel gemeenten hebben hun reclameopbrengsten voor de zekerheid in de vennootschapsbelastingaangifte opgenomen. Vervolgens hebben zij bezwaar gemaakt tegen de opgelegde aanslagen Vpb, en met de Belastingdienst afgesproken dat de bezwaarschriften worden aangehouden totdat de rechtsvragen in een vergelijkbare procedure beantwoord zijn. Zolang de bezwaarschriften niet zijn afgewezen en de Hoge Raad niet geoordeeld heeft, raden wij gemeenten aan om deze werkwijze voort te zetten. Dat betekent: de reclameopbrengsten in de aangifte vennootschapsbelasting opnemen en vervolgens bezwaar aantekenen tegen de aanslag.

Vragen?

Uiteraard houden we deze ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Wilt u meer weten over deze uitspraak, de verwerking in de aangifte of de vennootschapsbelastingplicht van gemeenten of andere overheidslichamen? Onze specialisten helpen u graag.