Btw op kosten deelneming in ruil voor winstrecht aftrekbaar?

Recent deed het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak W GmbH (nr. C-98/21) uitspraak over het btw-aftrekrecht van houdstermaatschappijen. Dit betrof de btw over van derden ingekochte diensten die de holding in ruil voor een winstrecht inbrengt in dochterondernemingen. Wat betekent dit arrest en wat zijn de mogelijke gevolgen voor uw onderneming?

W GmbH: de feiten

W GmbH is een holding met deelnemingen in de Duitse dochtermaatschappijen X en Y. De drie entiteiten vormen geen fiscale eenheid voor de btw. Tegen vergoeding verricht de holding boekhoudkundige en managementdiensten voor de dochtermaatschappijen.

X en Y zijn actief in de bouw en verkoop van woningen, activiteiten die grotendeels zijn vrijgesteld van btw. De partijen zijn overeengekomen dat W GmbH kosteloos diensten inbrengt in X en Y in ruil voor een winstrecht. Deze inbreng bestaat onder meer uit architecten- en planningsdiensten en algemene aanneming. W GmbH verricht de diensten deels met eigen middelen en deels door aankoop bij derden. De vraag die aan de Europese rechter wordt voorgelegd, is of W GmbH recht heeft op btw-aftrek over de ingekochte diensten.

Arrest Hof van Justitie EU

De Europese rechter oordeelt dat W GmbH geen recht heeft op btw-aftrek over van derden ingekochte diensten die in ruil voor een winstrecht worden ingebracht in X en Y. Dit omdat de betreffende diensten geen rechtstreeks en onmiddellijk verband hebben met de (belaste) boekhoud- en managementdiensten van de holding, maar met de (btw-vrijgestelde) activiteiten van X en Y. De door W GmbH gemaakte kosten zijn niet noodzakelijk om deelnemingen te verwerven (vergelijk het oordeel in Sonaecom, nr. C-42/19). Zij vormen slechts het voorwerp van de inbreng in de dochterondernemingen. De inbreng is vergelijkbaar met het houden van aandelen en vormt geen ‘economische activiteit’ voor de btw.

Belang voor de praktijk

De toepassing van btw bij transacties in de kapitaalsfeer en aandeelhouderschap is complex. Dit arrest is laatste toevoeging aan een reeks uitspraken over de btw-positie van holdings. Door de veelal casuïstische benadering van de Europese rechter is hier in de praktijk veel onduidelijkheid over.

Naar onze mening is dit een begrijpelijke uitspraak over een specifieke situatie. Volgens het Hof van Justitie heeft W GmbH geen recht op btw-aftrek over de ingebrachte diensten. Gezien de btw-vrijstelling van de activiteiten van dochterondernemingen X en Y had dit recht ook niet bestaan als zij de diensten zelf van derden hadden afgenomen. Maar de overwegingen van het Hof roepen ook (nieuwe) vragen op. Zo blijft het onduidelijk of de inbreng in dochterondernemingen in alle gevallen een niet-economische activiteit betreft. Daarnaast vragen wij ons af welke betekenis toekomt aan het ‘daadwerkelijke gebruik’ van de ingebrachte diensten door de dochterondernemingen. Had W GmbH bijvoorbeeld wél recht op aftrek gehad als X en Y uitsluitend aftrekgerechtigde activiteiten zouden ondernemen?

Duidelijk is dat de btw-aftrekpositie van holdings in ontwikkeling blijft. En dat handelingen inzake aandelen steeds weer bijzondere btw-gevolgen met zich kunnen meebrengen die vragen om maatwerk. Als hoofdregel geldt dat de btw op kosten die toerekenbaar zijn aan de aan- of verkoop van een deelneming niet in aftrek mogen worden gebracht. Maar onder specifieke omstandigheden zijn uitzonderingen mogelijk. Het is hoe dan ook van belang om op voorhand de btw-gevolgen van overnames, bedrijfsverkopen en aandelenuitgiftes in kaart te brengen. Hierbij zijn we u uiteraard graag van dienst.

Contact

Wilt u weten wat dit arrest voor uw onderneming betekent? Of heeft u vragen over uw btw-positie en de mogelijkheden voor btw-aftrek? Wij helpen u graag met uw fiscale vraagstukken. Neem contact op met onze adviseurs om te bespreken hoe wij u van dienst kunnen zijn.