Onderbouwing nultarief op vervoersdiensten is mogelijk met niet-voorgeschreven bewijsmiddelen

Onlangs (8 november 2018) heeft het Europese Hof een uitspraak gedaan over de toepassing van het btw-nultarief op vervoersdiensten ten aanzien van goederen die worden uitgevoerd. In dit nieuwsbericht gaan wij in op het arrest en het belang voor de praktijk.

De feiten

In de periode 2012 tot 2014 heeft Cartrans, een Roemeense tussenpersoon in wegvervoer, voor haar opdrachtgevers goederen vervoerd van Roemenië naar Turkije, Georgië, Irak en Oekraïne. Cartrans heeft het btw-nultarief toegepast op de door haar verrichte vervoersdiensten (vgl. art. 146(1)(e) jo. art. 153 van de Btw-richtlijn). Naar aanleiding van een belastingcontrole hebben de Roemeense autoriteiten vastgesteld dat Cartrans niet beschikt over de benodigde douaneaangiftes ten uitvoer. Het nultarief zou om die reden onterecht zijn toegepast. De Roemeense belastingdienst heeft de verschuldigde btw nageheven bij Cartrans, die daartegen in verzet is gekomen.

Arrest van het Europese Hof van Justitie

Voor de toepassing van het btw-nultarief op de genoemde vervoersdiensten moeten de bevoegde autoriteiten, aldus het Hof van Justitie EU, alle bewijsmiddelen waarover zij beschikken toetsen om na te gaan of de goederen waarmee de diensten samenhangen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Het is dus niet toegestaan om enkel een uitvoeraangifte te aanvaarden en andere bewijsmiddelen uit te sluiten. In het specifieke geval van Cartrans onderkent het Hof van Justitie dat zij beschikte over een TIR-carnet dat door het douanekantoor van het land van bestemming van de goederen is gewaarmerkt. Volgens de Europese rechter hadden de Roemeense autoriteiten ook dit document mee moeten nemen in hun toetsing, tenzij er concrete redenen waren om twijfels te hebben over de authenticiteit of betrouwbaarheid van dit document.

Belang voor de praktijk

Een belangrijke implicatie van dit arrest is dat de autoriteiten niet zomaar een vrijstelling of nultarief mogen weigeren wanneer de betreffende ondernemer bewijsmiddelen overlegt die op grond van het nationaal recht niet zijn voorgeschreven.

Ook in Nederland is het onder voorwaarden mogelijk om een nultarief toe te passen op bepaalde diensten die rechtstreeks verband houden met de invoer en uitvoer van goederen. Het is daarbij van belang om de toepassing van het nultarief voldoende te onderbouwen met relevante bewijsstukken. De Europese rechter geeft in dit kader aan dat met een ‘voldoende graad van waarschijnlijkheid’ moet blijken dat aan de voorwaarden is voldaan. Wij adviseren exporteurs, importeurs en logistiek dienstverleners dan ook om altijd goed te kijken naar hun eigen bewijsvoering in het kader van diensten bij invoer en uitvoer van goederen.

Mocht u vragen hebben naar aanleiding van dit artikel, of wilt u weten hoe deze uitspraak uw onderneming raakt, dan kunt u contact opnemen met Marisa Hut of Roderick Knipsael.