Prinsjesdag 2018: btw

Op Prinsjesdag 2018 zijn een aantal maatregelen aangekondigd die betrekking hebben op btw. Wij lichten deze maatregelen graag toe (voor een overzicht van álle maatregelen kunt u hier kijken). Let wel: alle genoemde maatregelen en wijzigingen betreffen slechts wetsvoorstellen. De voorstellen zijn pas van toepassing als ze zijn goedgekeurd door de Eerste en Tweede Kamer.

In dit onderdeel komen de volgende onderwerpen aan de orde:

Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel

Op 5 december 2017 heeft de Raad van de EU een richtlijn vastgesteld voor bepaalde btw verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen. Deze EU-Richtlijn elektronische handel is met name gericht op de modernisering en vereenvoudiging van de heffing en inning van de btw op grensoverschrijdende internetverkopen aan particulieren. Een klein deel van deze richtlijn moet met ingang van 1 januari 2019 worden geïmplementeerd.

Met het Belastingpakket 2019 is het wetsvoorstel Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel (Kamerstuk 35032) naar de Tweede Kamer gestuurd. Hieraan ontlenen wij het volgende:

  • Ondernemers die in maar één lidstaat zijn gevestigd, zijn voor de verkoop van grensoverschrijdende digitale diensten aan consumenten binnen de EU voortaan de btw verschuldigd in de eigen lidstaat naar het daar geldende tarief. Dit geldt echter alleen voor zover de totale grensoverschrijdende omzet van de ondernemer voor deze diensten onder een jaarlijkse drempel van € 10.000 blijft. Overigens kunnen de ondernemers met een grensoverschrijdende omzet van minder dan € 10.000 er ook voor kiezen om toch btw in de lidstaat van de consument te blijven voldoen.
  • Het mini One-Stop Shop System (MOSS) kan ook worden toegepast voor digitale diensten die voor consumenten in de EU worden verricht door ondernemers die niet in de EU gevestigd zijn, noch hier een vaste inrichting hebben. De niet in de EU gevestigde ondernemers kunnen voor de heffing van de voor deze dienstverrichtingen in de EU verschuldigde btw kiezen voor één bepaalde lidstaat als lidstaat van identificatie, waar zij zich registreren voor het MOSS. Via het MOSS in die lidstaat kunnen zij dan de btw aangeven en betalen voor alle lidstaten waar zij elektronische diensten, telecommunicatiediensten en radio- en televisieomroepdiensten verrichten voor andere dan ondernemers. Zij kunnen de factureringsregels toepassen van de lidstaat waarin zij zich voor het MOSS hebben geïdentificeerd.

Wet modernisering kleine ondernemersregeling

Het Wetsvoorstel Wet modernisering kleine ondernemersregeling (Kamerstuk 35033) bevat maatregelen om de huidige kleine ondernemersregeling (KOR) in de Wet OB te moderniseren door de introductie per 1 januari 2020 van een facultatieve omzetgerelateerde vrijstellingsregeling van btw met een omzetgrens van € 20.000 (nieuwe KOR). Het gaat daarbij om de omzet die een in Nederland gevestigde ondernemer behaalt met goederenleveringen en diensten die belastbaar zijn in Nederland, ongeacht het van toepassing zijnde tarief en ongeacht of de heffing is verlegd naar zijn afnemer. Aan het wetsvoorstel ontlenen wij het volgende.

1. Rechtsvormneutraal
De nieuwe KOR kan, in tegenstelling tot de huidige KOR, ook door niet-natuurlijke personen worden toegepast.

2. Omzetgrens van € 20.000 per kalenderjaar
De omzetgrens van € 20.000 geldt ook als het eerste kalenderjaar feitelijk korter is, bijvoorbeeld één maand, omdat de ondernemer pas in december met zijn onderneming is gestart. De volledige in Nederland belaste omzet van de ondernemer moet worden meegeteld, ongeacht welk btw-tarief van toepassing is en of de heffing van btw is verlegd naar zijn afnemer. Enkele specifiek in de wettekst genoemde btw-vrijgestelde prestaties moeten worden meegeteld. Het gaat daarbij onder andere om de levering en verhuur van onroerende goederen en financiële diensten op het gebied van betaalverkeer, de handel in effecten, kredietverlening en verzekeringen. Verder wordt tot de omzet gerekend de vergoedingen ter zake van de uitvoer van goederen uit de EU of plaatsen onder de regeling douane-entrepot in het kader van menslievend, liefdadig of opvoedkundig werk buiten de EU, waarvoor op verzoek teruggaaf van btw wordt verleend. Ook wordt omzet meegerekend waarvoor aan natuurlijke personen (andere dan ondernemers) onder voorwaarden een ontheffing wordt verleend van btw omdat deze goederen worden uitgevoerd uit de EU. Bij leveringen van goederen waar de btw wordt betaald over de winstmarge (zoals de reisbureauregeling en de margeregeling voor gebruikte goederen), wordt alleen de winstmarge meegerekend als omzet voor toepassing van de nieuwe KOR.

3. Aangifte- en administratieve verplichtingen
Ondernemers die voor de nieuwe KOR kiezen, zijn ontheven van het doen van btw-aangifte, voor zover zij geen btw zijn verschuldigd. Ook zijn zij ontheven van de daarbij horende administratieve verplichtingen van de Wet OB voor de door hen verrichte leveringen en diensten in Nederland en van de administratieve verplichtingen voor intracommunautaire leveringen, zoals een btw-aangifte en listing. Wel blijft een aangifte- en administratieplicht bestaan voor btw op ingekochte goederen en diensten, wanneer de nieuwe KOR-ondernemer verantwoordelijk is voor de voldoening van deze btw (bijvoorbeeld omdat de verplichte verleggingsregeling van toepassing is of hij btw verschuldigd is vanwege een IC-verwerving in Nederland).

4. Herziening bij sfeerovergang
In de ministeriële regeling wordt opgenomen dat bij een sfeerovergang herziening achterwege blijft beneden een grensbedrag van € 500. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat kleine ondernemers worden gedwongen om de in het jaar van aanschaf genoten teruggaaf van btw te herzien als op een later moment wordt geopteerd voor de nieuwe KOR.

5. Geen optie btw-belaste verhuur
Ondernemers die kiezen voor toepassing van de nieuwe KOR en de daarmee samenhangende ontheffing kunnen niet opteren voor btw-belaste verhuur van onroerende zaken als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter b, onder 5, Wet OB.

Verhoging verlaagde btw-tarief

  • Het verlaagde btw-tarief wordt verhoogd van 6% naar 9%.
  • Aanvullende wetgeving door middel van overgangsrecht wordt niet opgenomen. In de praktijk betekent dit dat ondernemers voor het vaststellen van het btw-tarief dat van toepassing is, kunnen aansluiten bij het reguliere moment van verschuldigdheid. Dit moment volgt rechtstreeks uit de Wet OB en wijkt niet af van de wijze waarop een ondernemer normaal gesproken zijn administratie voor de btw voert.

Verruiming btw-sportvrijstelling

  • De sportvrijstelling in de btw wordt gewijzigd. Vrijgesteld van btw worden de diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport of met lichamelijke opvoeding en die door instellingen worden verricht voor personen die aan sport of lichamelijke opvoeding doen, met uitzondering van het verlenen van toegang tot wedstrijden, demonstraties en dergelijke. En met uitzondering van het ter beschikking stellen van lig- en bergplaatsen voor vaartuigen die op grond van objectieve kenmerken niet geschikt zijn voor sportbeoefening.
    De vrijstelling is alleen van toepassing als de ondernemer geen winst beoogt.
  • Er zijn overgangsbepalingen opgenomen voor (1) de situatie die zich kan voordoen bij de bouw van een onroerende zaak waarvan is beoogd dat deze zal worden gebruikt voor diensten die zijn belast met btw, maar die als gevolg van de verruiming van de sportvrijstelling met ingang van 1 januari 2019 zullen vallen in de sportvrijstelling, (2) de situatie die zich kan voordoen bij de ingebruikname van een onroerende zaak na 1 januari 2019 waarvan is beoogd dat deze zal worden gebruikt voor diensten die zijn belast met btw, maar met ingang van 1 januari 2019 zullen vallen in de sportvrijstelling en (3) de situatie van gewijzigd gebruik nadat de (on)roerende zaak in gebruik is genomen.
  • Het onderhoud en de instandhouding van sportaccommodaties wordt gestimuleerd door middel van de inwerkingtreding van de Subsidieregeling stimulering bouw en onderhoud sportaccommodaties voor sportverenigingen en een specifieke uitkering voor gemeenten.

Forfaitaire bijtelling ter beschikking gestelde fiets van de zaak

Vanaf 1 januari 2020 geldt voor een fiets van de zaak een forfaitaire bijtelling van 7% van de consumentenadviesprijs. De bijtelling is in ieder geval van toepassing als de fiets voor (een deel van) het woon-werkverkeer ter beschikking staat. Dit betreft zowel de situatie dat de hele woon-werkafstand met de fiets van de zaak wordt afgelegd als die waarin maar een deel daarvan met de fiets van de zaak wordt afgelegd. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende soorten fietsen. Voor de bepaling van de waarde van de onttrekking met betrekking tot een tot het ondernemingsvermogen behorende fiets die aan een ondernemer mede voor privédoeleinden ter beschikking staat en de resultaatgenieter geldt een vergelijkbare regeling. De nieuwe forfaitaire regeling in de IB en LB beïnvloedt de bestaande btw-regels voor een ter beschikking gestelde fiets van de zaak niet. Een btw-ondernemer heeft in beginsel recht op aftrek van btw op goederen of diensten die hij voor btw-belaste doeleinden bestemt. Bij privégebruik daarvan moet een correctie plaatsvinden. Voor de btw geldt woon-werkverkeer ook als privégebruik. Voor de fiets die een btw-ondernemer koopt en aan de werknemer verstrekt of ter beschikking stelt, geldt een afwijkende regeling. Goedgekeurd is dat als de inkoopprijs van de aan de werknemer verstrekte fiets na aftrek van de eigen bijdrage van de werknemer hoger is dan € 749 inclusief btw, de aftrek van btw is uitgesloten voor het bedrag dat uitkomt boven € 749. Tot die grens komt de btw volledig voor aftrek in aanmerking (mits de ondernemer volledig aftrekgerechtigd is). Buiten deze goedkeuring gelden de normale wettelijke regels.

Mocht u naar aanleiding van de maatregelen van Prinsjesdag 2018 vragen hebben, neem dan contact op met uw adviseur bij Baker Tilly.