Internationale activiteiten

Het kabinet heeft op Prinsjesdag 2020 (fiscale) maatregelen voorgesteld, die van toepassing zijn op organisaties die internationaal actief zijn. Lees onder andere meer over de verhoging van het effectieve tarief van de innovatiebox, over ATAD2 en strengere voorwaarden voor de aftrekbaarheid van het liquidatieverlies. Verder nemen wij u mee in de aankondiging van een aantal voorstellen die nader uitgewerkt moeten worden, zoals aanvullende regels voor verrekenprijzen.

Vragen? Neem contact met ons op!

Wij begrijpen dat de informatie over de nieuwe maatregelen niet direct inzicht geven in consequenties voor u of uw organisatie. Wilt u daar meer over weten? Of heeft u vragen over de maatregelen? Neem dan contact op met uw belastingadviseur bij Baker Tilly of bel naar een van onze vestigingen bij u in de buurt.

Onderwerpen Internationaal:

Effectief tarief innovatiebox wordt verhoogd

Ondernemingen die zich in voldoende mate bezig houden met onderzoek en ontwikkeling (R&D) kunnen, onder voorwaarden, de winsten die daarmee worden behaald met een beroep op de innovatiebox laten belasten tegen een lager effectief tarief. Momenteel is dat effectieve tarief 7%. In september 2019 werd al door het kabinet aangekondigd dat het effectieve tarief van de innovatiebox per 1 januari 2021 van 7% naar 9% zou worden verhoogd. Die aankondiging wordt nu in het Belastingplan 2021 geformaliseerd.

Verlaging Vpb-tarief

De vorig jaar aangekondigde verlaging van het vennootschapsbelastingtarief voor grote bedrijven (van 25% naar 21,7%) wordt teruggedraaid. De besparing die dat oplevert komt deels ten goede aan het mkb. Het lagere ‘opstaptarief’ in de vennootschapsbelasting gaat omlaag van 16,5% naar 15%. Tegelijkertijd wordt de schijf waarvoor het opstaptarief geldt in twee stappen verhoogd. In 2021 gaat de grens van € 200.000 naar € 245.000 en in 2022 naar € 395.000. Het vennootschapsbelastingtarief voor de komende jaren ziet er nu als volgt uit:

Jaar 2020 2021 2022
Belastbaar bedrag tot €200.000 16,5%    

Belastbaar bedrag vanaf €200.000

25%    

Belastbaar bedrag tot €245.000

  15%  

Belastbaar bedrag vanaf €245.000

  25%  

Belastbaar bedrag tot €395.000

    15%

Belastbaar bedrag vanaf €395.000

    25%

Aanpassing artikel 10a Wet Vpb: renteaftrekbeperkingen

Artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb) beperkt de mogelijkheid voor bedrijven om rente af te trekken op schulden aan verbonden vennootschappen en verbonden natuurlijke personen. Die aftrekbeperking is van toepassing indien een dergelijke schuld verband houdt met bepaalde ‘besmette’ handelingen, zoals een dividenduitkering, een terugbetaling van kapitaal of het verkrijgen of uitbreiden van een belang in een andere verbonden vennootschap.

Doel van deze aftrekbeperking is om de belastbare winst van een onderneming te verhogen door aftrek van rentelasten te beperken. Een ongewenst effect van de huidige regeling is dat ‘winst’ die een onderneming op een dergelijke schuld maakt als gevolg van negatieve rente of koerswinsten (indien een schuld in een andere valuta luidt) per saldo wordt vrijgesteld en de belastbare winst dus verlaagt.

Door aan artikel 10a een extra achtste lid toe te voegen wordt daaraan per 1 januari 2021 een einde gemaakt. Vanaf dat moment dient elke schuld afzonderlijk te worden beoordeeld en is het voordeel als gevolg van negatieve rente of koerswinst niet meer vrijgesteld van belastingheffing indien die voordelen groter zijn dan de lasten (positieve rente, koersverliezen of kosten van die schuld). 

Verduidelijking regels bij samenloop tussen ATAD2 en de earningsstrippingmaatregel

In 2020 zijn complexe regels in de Wet Vpb ingevoerd die ongewenste fiscale gevolgen van zogenoemde hybride mismatches aanpakken (hierna: ATAD2). Er kunnen situaties ontstaan waarbij samenloop ontstaat tussen ATAD2 en de generieke renteaftrekbeperking (de zogenoemde earningsstrippingmaatregel).

De volgorde is nu verduidelijkt: rente die niet aftrekbaar is op grond van ATAD2 kan vervolgens niet nogmaals van aftrek worden uitgesloten door de earningsstrippingmaatregel. Rente die niet in aftrek wordt beperkt vanwege ATAD2 kan wel alsnog in aftrek worden beperkt door de earningsstrippingmaatregel. Voor een aantal specifieke situaties zijn nog nadere regels opgenomen.

Beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling

Bij liquidatie van een deelneming kan een verlies ontstaan. Vanaf 1 januari 2021 gelden strengere voorwaarden voor de aftrekbaarheid van het liquidatieverlies voor zover dat meer bedraagt dan € 5 miljoen:

  1. het aandelenbelang in de deelneming is een zogenoemd kwalificerend belang (onder de huidige regelgeving is een aandelenbelang van 5% voldoende)
  2. de deelneming is in de EU/EER  gevestigd (onder de huidige regelgeving maakt het niet uit in welk land de deelneming is gevestigd)
  3. in de vijf jaren voorafgaand aan de vereffening van het vermogen van die deelneming is onafgebroken aan voorwaarde 1 en 2 voldaan. Onder bepaalde voorwaarden wordt soepel omgegaan met deze vijfjaarstermijn

Er is sprake van een kwalificerend belang als in een lichaam een zodanige invloed op de besluiten van dat lichaam kan worden uitgeoefend dat de activiteiten daarvan kunnen worden bepaald.

Ten aanzien van de staking van buitenlandse activiteiten die een vaste inrichting vormen is een verlies aftrekbaar als die activiteiten werden uitgeoefend in de EU/EER.

Bovendien is vanaf 1 januari 2021 een liquidatie- of stakingsverlies enkel aftrekbaar, ongeacht de omvang van het verlies, als de vereffening van het vermogen van de deelneming dan wel de opheffing van de vaste inrichting is voltooid binnen drie jaren na het jaar waarin de onderneming van de deelneming of de buitenlandse activiteiten zijn gestaakt. Deze termijn mag langer zijn als aannemelijk wordt gemaakt dat dit niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van vennootschapsbelasting. Onder de huidige regelgeving wordt geen termijn gesteld.

Denkrichtingen nieuwe groepsregeling in de vennootschapsbelasting

Momenteel kent de Wet Vpb een groepsregeling: de fiscale eenheid. Vennootschappen die deel uitmaken van de fiscale eenheid worden voor de vennootschapsbelasting als één belastingplichtige beschouwd. Er vindt resultaten- en vermogensconsolidatie plaats. Door de fiscale eenheid kunnen resultaten van de vennootschappen met elkaar verrekend worden en onderlinge transacties zijn fiscaal niet zichtbaar.

Vanwege mogelijke strijdigheid met Europees recht van de huidige regeling heeft de staatssecretaris van Financiën de denkrichtingen voor een nieuwe groepsregeling uitgewerkt. Mogelijk blijft de huidige regeling gehandhaafd en wordt waar nodig de strijdigheid met Europees recht gerepareerd. Een andere mogelijkheid is dat alleen nog resultaten tussen de vennootschappen binnen de groep worden verrekend.

Beperking verrekening voorheffingen

In Nederland gevestigde belastingplichtigen kunnen Nederlandse kansspelbelasting of dividendbelasting verrekenen met vennootschapsbelasting. Als in een jaar geen vennootschapsbelasting verschuldigd is (bijvoorbeeld vanwege een verlies), kan de geheven kansspelbelasting of dividendbelasting worden teruggevraagd.

Een buitenlands lichaam dat niet belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting, maar wel Nederlandse kansspelbelasting of dividendbelasting heeft betaald, kan deze belastingen niet terugvragen.

Om strijdigheid met Europees recht te voorkomen, wil het kabinet deze regelgeving per 1 januari 2022 aanpassen. De aanpassing houdt in dat kansspelbelasting en dividendbelasting alleen kunnen worden verrekend als er vennootschapsbelasting is verschuldigd. Vooruitlopend op en in afwijking van deze aangekondigde wijziging wordt binnenkort een beleidsbesluit gepubliceerd waaruit volgt onder welke voorwaarden buitenlandse lichamen tot 1 januari 2022 alsnog Nederlandse kansspelbelasting en dividendbelasting kunnen terugvragen.

Conditionele bronbelasting op rente en royalty’s

Belangrijk om te realiseren is dat, hoewel dit geen onderdeel uitmaakt van het Belastingplan 2021, per 1 januari 2021 de Wet bronbelasting 2021 in werking treedt. Hierdoor worden rente- en royaltybetalingen door een Nederlandse rechtspersoon aan gelieerde partijen onder voorwaarden onderworpen aan Nederlandse belastingheffing. Voor meer informatie verwijzen wij naar ons nieuwsbericht over deze wetgeving.

Aankondiging aanpassing regels voor verrekenprijzen

In het voorjaar van 2021 komt het kabinet met aanvullende regels voor verrekenprijzen, waarmee zogenoemde informeel kapitaalstructuren worden aangepakt. De aanvullende regels zijn noodzakelijk, omdat het huidige systeem kan leiden tot ongewenste uitkomsten.

Een voorbeeld ter illustratie: een Nederlandse vennootschap koopt producten in of leent geld bij een buitenlandse groepsvennootschap tegen een contractueel overeengekomen prijs respectievelijk rente. Deze prijs of rente kan lager zijn dan een zakelijke geachte prijs of rente, de zogenoemde arm’s length prijs. De huidige transfer pricing regels kunnen leiden tot een prijsverhoging bij de Nederlandse vennootschap, die de fiscale winst verlaagt. Als de buitenlandse groepsvennootschap de prijs of rente niet (voldoende) verhoogt, wordt de winst van die groepsvennootschap niet (voldoende) verhoogd. Hierdoor ontstaat een aftrekbare kostenpost in Nederland zonder een belaste bate in het buitenland.

De beoogde maatregel bestrijdt de hiervoor beschreven situatie. In dergelijke situaties wordt de contractueel overeengekomen prijs gehanteerd voor de bepaling van de Nederlandse fiscale winst. Het is dan niet toegestaan om de zakelijke prijs te hanteren. Anders gezegd: een verlaging van de fiscale winst is niet toegestaan als bij de groepsvennootschap geen of een te lage opwaartse correctie van de winst plaatsvindt.

Deelnemingsvrijstelling substanceloze houdstervennootschappen

Het kabinet heeft de uitkomsten van het onderzoek naar het weigeren van de deelnemingsvrijstelling voor houdstervennootschappen zonder of met beperkte zogenoemde ‘substance’ bekendgemaakt. De conclusie is dat de uitbreiding van informatie-uitwisseling met het bronland een voor de hand liggende oplossing is in plaats van een weigering van de deelnemingsvrijstelling.

Deze uitbreiding van informatie-uitwisseling komt er op neer dat als een (houdster)vennootschap een beroep doet op de deelnemingsvrijstelling, de vennootschap moet aangeven of deze voldoet aan substance-eisen. Deze eisen houden, samengevat, in dat er voldoende aanwezigheid in het land van vestiging moet zijn. Is dat niet het geval, dan stuurt Nederland deze informatie door naar het land waar de deelneming is gevestigd (het bronland). Het bronland kan dan vervolgens beoordelen of toepassing van een Europese richtlijn of verdragsvoordelen gerechtvaardigd is of niet. Dit kan de aantrekkelijkheid van Nederland als doorstroomland voor dividenden verminderen.

Let op:

  • Wij benadrukken dat bovenstaande geen compleet overzicht is. Meer informatie over alle maatregelen gepresenteerd op Prinsjesdag vindt u op de website van de Rijksoverheid.
  • De genoemde maatregelen en wijzigingen zijn wetsvoorstellen, tenzij anders vermeld. De voorstellen moeten nog worden goedgekeurd door de Tweede en de Eerste Kamer. Let op: De voorstellen kunnen nog wijzigen.

Blijf up-to-date