Splitsingsvrijstelling overdrachtsbelasting bij beleggingsvennootschappen

Op 18 december 2020 oordeelde de Hoge Raad dat een vrijstelling van overdrachtsbelasting (OVB) bij de splitsing van een vennootschap met vastgoed van toepassing kan zijn, ondanks dat die vennootschap en de verkrijgende vennootschappen geen onderneming uitoefenen. Een voorwaarde voor deze vrijstelling is dat de splitsing berust op zakelijke overwegingen. Volgens de Hoge Raad is het voor de vraag of er sprake is van zakelijke overwegingen niet relevant of de splitsende of verkrijgende vennootschappen actieve werkzaamheden uitvoeren. Dat betekent dat de vrijstelling ook kan gelden bij de afsplitsing van onroerend goed van een beleggingsvennootschap. De Hoge Raad heeft voor de verdere feitelijke behandeling de zaak terugverwezen naar de lagere rechter.

De casus

Broer en zus bezitten elk 50% van de aandelen in X bv, die alle aandelen houdt in een zogenoemde onroerendezaakrechtspersoon (vastgoed bv). Door een splitsing van X BV ontstaan twee nieuwe vennootschappen, bv A en bv B. Broer krijgt alle aandelen in bv A en zus in bv B. De betrokken vennootschappen (X bv, bv A en bv B) oefenden geen actieve werkzaamheden uit. Door de splitsing verkrijgt bv B alle aandelen in vastgoed bv De verkrijging van aandelen in een vastgoed bv kan leiden tot heffing van overdrachtsbelasting.

Over deze verkrijging moet bv B in principe overdrachtsbelasting betalen, tenzij de splitsingsvrijstelling wordt toegepast. Een voorwaarde om die vrijstelling toe passen, is dat de splitsing niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Als de splitsing berust op zakelijke overwegingen, is in principe aan deze voorwaarde voldaan.

Uitleg ‘zakelijke overwegingen’ volgens Europese jurisprudentie

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat, omdat er geen sprake was van actieve werkzaamheden, er geen van zakelijke overwegingen waren voor de splitsing. De Hoge Raad volgt deze redenering niet. Volgens de Hoge Raad moet voor de uitleg van de splitsingsvrijstelling worden aangesloten bij de Europese Fusierichtlijn en daarmee ook bij de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (HvJ EU). Het HvJ EU heeft in meerdere arresten overwogen dat niet is vereist dat bij een fusie de verkrijgende vennootschap zelf een onderneming drijft, en dat ook een fusie of herstructurering als gevolg waarvan een nieuwe houdstermaatschappij ontstaat die geen onderneming bezit, op grond van zakelijke overwegingen kan hebben plaatsgevonden. Dit zou volgens de Hoge Raad ook voor splitsingen moeten gelden.

Daarom sluit volgens de Hoge Raad de enkele omstandigheid dat de bij een splitsing betrokken vennootschappen geen onderneming uitoefenen, niet uit dat de splitsing plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen.

Gevolgen voor de praktijk

De toepassing van vrijstellingen voor fusies en splitsingen is van groot belang bij herstructureringen. Het arrest van de Hoge Raad bevestigt dat de vrijstelling in geval van een splitsing niet alleen kan worden toegepast bij herstructureringen waarbij vennootschappen met actieve werkzaamheden zijn betrokken. Het arrest biedt ruimte om ook bij beleggingsvennootschappen de splitsingsvrijstelling toe te passen.

Heeft u vragen over het splitsen van een vennootschap waarbij vastgoed overgaat of over herstructureringen in het algemeen? Neem dan gerust contact op met onze belastingadviseurs.